Een beginnend docent vertelt tijdens de online intervisie bijeenkomst over een groep die niet lekker loopt. Er heerst een negatieve sfeer en studenten hebben zich beklaagd dat ze de online lessen rommelig en onoverzichtelijk vinden. Als zoveel beginnend docenten trekt ze zich dit meer aan dan ze zou willen. Het heeft haar het hele weekend bezig gehouden. Dat wilde ze niet toelaten maar was er toch. Bij wat dieper navragen bleek er meer aan de hand. Ze heeft begin maart deze groep overgenomen van een collega. Haar collega is niet zo positief over de groep. De groep ook niet over deze collega. Zelf vindt ze het ook moeilijk om met deze collega in contact te komen. Ze heeft de hulp ingeroepen van andere collega’s, maar zij hebben haar tot dusver niet concreet kunnen helpen. Ze is per 1 maart begonnen als docent, heeft daardoor slechts enkele lessen tussen vier muren verzorgd en is daarna verhuisd naar het online gebeuren. Het is beslist niet makkelijk om in deze situatie te beginnen als docent. Het is ook begrijpelijk dat het collega’s niet lukt om ondersteuning te bieden, zij zijn nu ook vooral bezig om zelf het hoofd boven water te houden. Helder is dat er al langer ‘mot’ was met deze groep en dat er verlegenheid heerst om dit aan te pakken. Dat heeft niets met deze beginnend docent te maken, maar zij is nu wel de aangewezen persoon om het op te lossen. We verkennen mogelijke oplossingsrichtingen. Die zijn er best. De groep heeft gewoonten ontwikkeld en heeft hulp nodig om daar andere gewoonten voor in de plaats te zetten. Belangrijk is om trendsetters van de negatieve sfeer te identificeren. Voor het eerst sinds de sluiting van de schoolgebouwen kom ik een situatie tegen waarbij in levende lijve gesprekken voeren de voorkeur heeft. Intensief, maar wel nodig. Niet alles kan online.