Zwabberen

In onze gedachten over het onderwijs voor komend jaar zwabberen we tussen hoe we het altijd al deden en hoe het moet gaan worden.

Een collega is bezig om voor de studenten ‘themakaarten’ te ontwikkelen. Dat zijn kaarten met verschillende onderdelen waar studenten uit kunnen kiezen. Op basis hiervan kunnen studenten keuzes maken op welke manier ze te werk willen gaan. Dat is nodig omdat studenten nu een beetje verdwalen in de complexiteit van de opleiding. Het is een hele kunst om op twee kantjes alles samen te vatten dat van belang is. Ik stel voor om een verwijzing naar een website te maken. Dat is volgens mijn collega echter niet de bedoeling, want het zijn themakaarten die geplastificeerd gaan worden voor gebruik in het fysieke lokaal.

Ik val even stil. Ik ben verbaasd over deze uitspraak. Gezien de percentages fysieke aanwezigheid waarbinnen we volgend jaar het onderwijs vorm moeten gaan geven, is er volgend jaar helemaal geen mogelijkheid om deze studenten in een fysiek lokaal aan de slag te laten gaan met deze themakaarten. Die themakaarten zijn prachtig en online ook prima te gebruiken. Dan kan er ook een linkje in staan. Of een QR code. Misschien is een QR-code nog wel handiger. Dan zien de themakaarten er zowel fysiek in het lokaal als online hetzelfde uit. Dat vergroot de herkenbaarheid. Het is niet moeilijk om QR codes te genereren. Iedere link naar een website kan worden omgezet in een QR code. Deze QR code kan op de themakaart komen. Zo kunnen studenten, ook op de schaarse momenten dat ze fysiek in het lokaal mogen werken, aanvullende informatie raadplegen door de code te scannen.

Later op de dag heb ik een gesprek met mijn teamleidster. Ze maakt zich zorgen over de huidige tweedejaars studenten die dit vooorjaar in Corona stages terecht kwamen en daardoor niet hebben kunnen werken aan een aantal verplichte vaardigheden zoals klassenmanagement. Deze groep studenten begint straks in september meteen met de derdejaars een stage. Op de meeste scholen zullen zij een combinatie van online en fysieke lessen verzorgen en geen ervaring opdoen met 30 pubers voor hun neus waarvan de aandacht snel heen en weer springt tussen lesinhoud, gedrag van de docent, gedrag van klasgenoten en berichten op de mobiele telefoon. Dat betekent dat deze studenten het jaar erop, als ze aan hun afstudeerjaar beginnen, nog geen enkele ervaring hebeen met het ‘echte’ klassenmanagement, terwijl dat wel een wettelijke bekwaamheidseis is waar we met onze studenten aandacht aan moeten besteden.

Uit haar verhaal maak ik op dat ze zich vooral baseert op een realiteit zoals deze in beeld is gebracht in de serie ‘100 dagen voor de klas’. Dat ‘echte klassenmanagement’ behoort wellicht tot het verleden. Ik vraag haar dan ook “willen we terug naar die situatie?”

Ze is even stil. “Nee, misschien niet. Ja, nu is een kans om hier met elkaar over na te denken. Maar dat gesprek wordt niet gevoerd. Daar verbaas ik me over.”

“We voeren dat gesprek nu” merk ik op.

Het lijkt haar goed om dit gesprek krachtig aan te zwengelen binnen de lerarenopleidingen. Dat lijkt mij ook een goed idee. We gaan nog meer met elkaar zwabberen!

 

 

Over de bekwaamheidseisen met betrekking tot klassenmanagement hoeven we ons overigens geen zorgen te maken, die zijn voldoende ruim omschreven voor zowel fysiek als online onderwijs (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2017-148.html):

Paragraaf 3. Pedagogische bekwaamheid, kunde
Artikel 2.18. Pedagogische bekwaamheid leraar of docent, kunde

De leraar of docent is pedagogisch bekwaam wat betreft kunde, indien hij ten minste:

  • a.groepsprocessen kan sturen en begeleiden;

  • b.vertrouwen kan wekken bij zijn leerlingen en een veilig pedagogisch klimaat scheppen;

  • c.ruimte kan scheppen voor leren, inclusief het maken van vergissingen en fouten;

  • d.verwachtingen duidelijk kan maken en eisen stellen aan leerlingen;

  • e.het zelfvertrouwen van leerlingen kan stimuleren, hen kan aanmoedigen en motiveren;

  • f.oog heeft voor de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van zijn leerlingen en daar recht aan doet;

  • g.ontwikkelingsproblemen, gedragsproblemen en gedragsstoornissen kan signaleren en indien nodig met hulp van collega’s oplossingen zoeken of doorverwijzen;

  • h.zijn onderwijs en zijn pedagogische omgang met zijn leerlingen kan uitleggen en verantwoorden;

  • i.zijn pedagogisch handelen kan afstemmen met ouders en anderen die vanuit hun professionele verantwoordelijkheid bij de leerling betrokken zijn;

  • j.in staat is tot kritische reflectie op zichzelf in de pedagogische relatie;

  • k.zijn eigen grenzen kan bewaken.