Na het eerste online college spreek ik met de eerstejaars studenten. Een open gesprek. Zonder agenda. Gewoon om even te peilen hoe het met iedereen is. Ze zijn bijna voltallig online. De één zit onderuitgezakt op de bank. De ander zit in de keuken. Er lopen huisgenoten door het beeld. Weer een ander hapt een koek. Dat komt trouwens heel onbeleefd over. Eén voor één vertellen de studenten hoe ze hun dag ingedeeld hebben en wat ze doen om in een studieritme te komen. Ze wisselen tips uit. Er worden onderling afspraken gemaakt om tegelijkertijd te studeren. Sommige kamers zijn echt heel klein. Hoe scheid je dan het studeren van het chillen? In sommige studentenhuizen zijn studiemomenten afgesproken. Iedereen zit immers thuis. Dat vraagt om heldere afspraken. Anderen zijn naar paps en mams vertrokken en studeren wanneer paps en mams werken. Aan dezelfde keukentafel.

Een student breekt tijdens de sessie. Ze vindt het zo erg om elkaar zo lang niet fysiek te ontmoeten. Ze hoopt dat het snel voorbij is. Zo neutraal mogelijk laat ik de grafiek zien. We hebben nog een tijdje te gaan. Geen leuke boodschap.

Op drie scholen na zijn alle stages van de eerstejaars afgebroken. Daar maken ze zich zorgen om. Voldoen ze nu wel aan het minimum gestelde aantal uren? Halen ze nu hun bindende studie-advies? Hoe komt het met de toetsweek, gaat die wel door? Het zijn vragen waar ik helaas nog geen antwoord op kan geven. Dat begrijpt iedereen. Ik pijl of ze iets anders zouden willen doen in de tijd dat ze normaal stage zouden lopen. Een unaniem ja. Ze doen liever iets nuttigs dan de hele dag lamlendig op de bank hangen. Dat kan ik me goed voorstellen. Ze zien dat er zo hard gewerkt wordt in onderwijs, alleen is er voor hen nog geen plaats. Ze ervaren zichzelf als ballast. Ik weet wat ze kunnen. Zonde! Twee mogelijke alternatieve stages schieten door mijn hoofd. Ik hou het nog een beetje oppervlakkig. Eerst maar eens nagaan of dat daadwerkelijk kan……