In de vakantie gingen alle beeldschermen uit. Even tijd om het hoofd en vooral de ogen rust te geven. In die rust ontstond een steeds groter wordende kalme blijdschap. Blijdschap over de zichtbaarheid die de corona maatregelen geven aan het vele werk dat docenten verzetten. De primaire taak van docenten is het begeleiden van onderwijsleerprocessen van leerlingen. De ‘producten’ die een docent levert zijn de vorderingen van de leerlingen. Let wel, het gaat dan om meer kennen en kunnen dan de leerlingen uit zichzelf voor elkaar hadden gekregen. Ook zonder onderwijs blijven jongeren immers leren. Naast die primaire taak voeren docenten echter heel veel andere taken uit die elkaar beconcurreren wat betreft beschikbare tijd. Een voorbeeld van een dergelijke concurrentie speelt zich bijvoorbeeld af tussen het uitvoeren van het mentoraat en het ontwikkelen van (digitale) lesmaterialen en onderwijs.

De invulling van het mentoraat kent een grote bandbreedte. De ene docent vindt het persoonlijke contact met de leerlingen en de ouders fantastisch en steekt daar heel veel, vaak onbezoldigde, tijd in. Een andere docent maakt zich er zo makkelijk mogelijk vanaf en voert zo min mogelijk gesprekken met de leerlingen. Immers, wat niet weet wat niet deert, dan maar liever niet weten wat er aan de hand is, dan komt er ook geen werk van.

De berichten om de zorgen over de veiligheid van leerlingen, de hartverwarmende berichten die docenten stuurden naar hun leerlingen en de voorzieningen die werden getroffen voor kinderen van ouders in vitale beroepen van de afgelopen weken maakten ineens zichtbaar dat de betrokkenheid van docenten bij het wel en wee van leerlingen over het algemeen groot is. Omdat het te leveren ‘product’ de vorderingen van de leerlingen zijn, zal iedere docent naar vermogen bijdragen om dat te doen wat de leerling zo goed mogelijk ondersteunt. Bij de ene is dat een schouderklopje, bij de ander een knipoog, bij weer een ander een extra boterham en sommigen hebben baat bij het uitvoeren van gemaakte afspraken, ook de minder leuke.  Eigenlijk heeft iedere leerling baat bij een eigen aanpak. Sommige docenten zijn hier ware ‘meesters’ in. Zij weten precies welke aanpak bij welke leerling werkt en welke niet. Docenten doen dit over het algemeen uit zichzelf. Het is helder dat het belangrijk is, iedere docent weet dat een kind dat het om wat voor reden dan ook, moeilijk heeft, zich minder goed kan concentreren. Het wegnemen van belemmeringen om te concentreren draagt bij aan de vorderingen van die leerling. Er is echter niemand die dit van docenten vraagt. Vreemd eigenlijk, dat docenten dit zo geruisloos en op de achtergrond doen. Hoeveel tijd investeren docenten hier eigenlijk in? Is dat wel eens onderzocht? Hoe reëel is het eigenlijk om van docenten te verwachten dat ze dat doen?

Onderwijs is voortdurend in beweging. Het is belangrijk aan te sluiten bij de actualiteit. Iedere docent erkent dat. Maar ook iedere docent herkent de situatie van die les voor morgen die toch nog niet helemaal goed is voorbereid, want tsja, er was nog een gesprekje met een leerling te voeren, of een ouder, of een collega over die ene leerling, of… Aandacht voor het persoonlijke wel en wee van iedere leerling is tijd die een docent niet besteedt aan het voorbereiden en verder door ontwikkelen van het onderwijs.

Al meer dan 20 jaar verwachten we dat de aanvullende digitale mogelijkheden kunnen bijdragen aan veranderingen in het onderwijs. Tot op heden moet ik iedereen met deze verwachting teleurstellen. Er is niet zo heel veel veranderd. De beeldschermen zijn weliswaar compacter geworden en de apparaten maken aanzienlijk minder herrie en warmte, maar het functionele, didactische gebruik ervan is niet wezenlijk veranderd. Nog steeds worden digitale middelen vooral ingezet om informatie te ontsluiten in de vorm van teksten en beelden, oftewel het informatieve gedeelte van de Informatie en Communicatie Technologie (ICT). Het communicatieve gedeelte wordt veel minder gebruikt. Tot de komst van een virus alle docenten ineens dwong om te gaan communiceren met leerlingen via de al langere tijd beschikbare technische middelen.

Docenten omarmden de communicatieve mogelijkheden. Massaal. Dat lukte ook nog best aardig. Leerlingen en ouders zijn behoorlijk tevreden over het onderwijs op afstand. Leerlingen blijken in veel kortere tijd hetzelfde werk af te krijgen. Naar eigen zeggen omdat ‘ik nu niet afgeleid wordt door leerlingen die er normaal gesproken doorheen kletsen’ en ‘omdat ik nu mijn eigen tijd meer in kan delen’ en ‘omdat ik nu af kan maken waar ik mee bezig ben, in plaats van mijn half afgemaakte werk weer in moet pakken omdat de bel voor de volgende les gaat’. Wel missen ze hun vrienden en het fysieke samenzijn.

Er zijn ook leerlingen die hun werk niet maken en niet verschijnen op de communicatieve momenten. Daarover ontstaat ongerustheid bij docenten, collega’s en schoolleiding. De acties die normaal geruisloos op de achtergrond werden uitgevoerd, krijgen nu ineens aandacht, zelfs van landelijke media. Nu wordt zichtbaar hoeveel tijd het vergt om die leerlingen erbij te halen en te houden. Kostbare tijd die niet besteed kan worden aan de inrichting van zo optmimaal mogelijke leerprocessen voor alle leerlingen.

Hoe zou het zijn om docenten weer beter toe te rusten voor dat primaire proces, het proces waartoe ze zijn opgeleid? Is de huidige intensiteit waarmee docenten hun leerlingen sociaal-emotioneel begeleiden wel een taak van een docent? Zijn daar wellicht andere beroepsgroepen beter voor opgeleid? Is het mogelijk om van bijvoorbeeld het mentoraat niet een ‘taak’ maar een ‘functie’ te maken? Mentoren die als professionals, samen met docenten, zorgen voor optimale leerprocessen. De docenten blijven verantwoordelijk voor de vakinhoudelijke vorderingen van de leerlingen, inclusief de groepsdynamiek die daarbij hoort. De mentoren zorgen voor het sociaal-emotionele gebeuren daaromheen. Een mentor kan tussen de 3 en 6 klassen onder zijn of haar hoede hebben. De mentor is veel ín de klas aanwezig, naast de docent. De mentor loopt met leerlingen mee die iets aan het inoefenen zijn, bijvoorbeeld rustig blijven bij bepaalde opmerkingen, of het omzetten van kritiek in een handeling ter verbetering van het werk. Mentoren onderling maken afspraken wie er ontbijtdienst doet met de leerlingen die anders met een lege maag aan de schooldag beginnen, of wie er op welk moment beschikbaar is voor eerste hulp bij sociale ongevallen. De mentoren verzorgen ook de communicatie met thuis. De mentoren volgen de leerlingen, letten erop dat docenten op een eenduidige manier het huiswerk kenbaar maken en de electronische leeromgeving een beetje op orde houden zodat leerlingen niet in een jungle terecht komen. De mentoren signaleren eventuele veranderingen in gedrag bij leerlingen en bespreken dat. Eventuele onveilige thuissituaties kunnen op deze manier snel gesignaleerd worden. Mogelijk kan dit bijdragen aan preventieve sociale zorg in plaats van het huidige curatieve systeem met de veel te lange wachttijden.

Zou het kunnen, om een deel van de professionele sociale zorg meer te verweven met het onderwijs en op deze manier docenten vrij te spelen? Zo krijgen de docenten weer tijd om de digitale mogelijkheden die bij kunnen dragen aan veranderingen in het onderwijs uit te proberen. Ze krijgen tijd om het onderwijs verder te ontwikkelen en te werken aan hun primaire taak: het bevorderen van leerlingen.