Het is altijd frustrerend om te weten dat je onderwijsorganisatie anders moet, maar er nog niet een helder beeld wil verschijnen hoe dat dan vorm krijgt.

Vanaf september ga ik weer eerstejaars studenten aan de lerarenopleiding begeleiden. Een belangrijk onderdeel aan het begin van de opleiding is aandacht voor verschillende vormen van communicatie. Daarbij maakte ik tot dusver altijd gebruik van de groep zelf. Studenten kunnen de verschillende verbale en non-verbale technieken eerst bij elkaar uitproberen en dan pas bij anderen. Studenten hebben tot dan toe nooit zo stil gestaan bij hoe ze communiceren. Ze hebben er ook nog nooit bij stil gestaan dat ze zelf invloed uit kunnen oefenen op het verloop van een gesprek. Zodra studenten daarop gewezen worden zijn de meesten aanvankelijk geschokt. Zodra ze over deze schok en ook de gêne heen zijn komt een fase van uitbundig experimenteren. De roos van Leary is daarbij heel behulpzaam. Ineens ontdekken studenten dan hun eigen communicatiekracht en gaan dingen zeggen op een manier die hun omgeving niet verwacht. Het is ieder jaar hilarisch wat er dan gebeurt.

Het moge duidelijk zijn, dit gedeelte van de opleiding wil ik behouden, óók in de 1,5 m variant. Maar hoe kunnen studenten de verschillende technieken in de 1,5 m variant met elkaar oefenen? We weten dat het online lastig is om de non-verbale signalen van studenten op te vangen. Het gaat niet werken om de non-verbale communicatieonderdelen online te verzorgen. Dit moet fysiek plaatsvinden.

In de 1,5 m variant mogen er maar 7 of 8 studenten tegelijkertijd in het lokaal aanwezig zijn. Daarmee gaat het prima lukken om een aantal één op één non-verbale communicatietechnieken aan te leren, maar is minder geschikt voor de één op veel varianten. Bovendien wil ik dat alle studenten dit proces doorlopen.

Komend jaar verwacht ik ongeveer 30 studenten. Uitgaande van 8 studenten per groep betekent dat 4 rondes van dezelfde les. Het gaat om een serie van 7 lessen/trainingen van 1,5 uur waarvan er 3 over non-verbale communicatie gaan en niet online plaats kunnen vinden. Dat betekent dus dat ik 12 momenten nodig heb om alle 1,5m studenten op hetzelfde punt te brengen als hun reguliere voorgangers.

De studenten hebben twee keer in de week een ateliermiddag van 3 uur. Als ik dan gedurende 6 weken iedere middag een groepje fysiek naar school laat komen, dan kan ik met hen de training doen terwijl de rest aan de gang is met de atelier opdracht.

Per middag wordt dan de basisstructuur als volgt:

  1. Online welkom
  2. Online plenaire communicatietraining gericht op verbale en schriftelijke communicatie
  3. Opstart activiteiten voor de atelieropdracht, mededelingen, contact met opdrachtgever
  4. Online stand-up voor alle groepen, om de week aangevuld met een retro of review
  5. a. Online groepen aan de slag met TO DO;
    b. Fysiek aanwezige groep krijgt non-verbale communicatietraining
  6. Online stand-up, bijwerken logboeken
  7. Plenaire online afronding.

Nadeel van deze opzet is dat er heel weinig tijd overblijft om de groepjes te begeleiden bij de atelieropdracht. Misschien kan ik nog een beetje tijd ‘winnen’ door de één op veel variant van non-verbale communicatietraining toch plenair te doen. Dat mag met de nieuwe regelingen niet in een lokaal. Dat mag wel buiten. Het gaat om studenten leraar biologie, natuurkunde en scheikunde die ook veldwerk leren begeleiden. Wellicht is dat een slimme combinatie.

Al met al begint de frustratie van het niet-weten wat weg te ebben. Er verschijnt nu eindelijk iets dat ook daadwerkelijk uitvoerbaar is.