In het wekelijkse familie videogesprek vraagt mijn moeder of het nou mijn werk is om nieuwe docenten te begeleiden zoals te zien is in ‘100 dagen voor de klas’. Door de enorme stroom werk heb ik tot dusver geen gelegenheid gehad naar die afleveringen te kijken. Daarom houd ik me een beetje op de vlakte. Vervolgens ontspint zich een discussie dat als er BN-ers voor de klas komen dat leerlingen dan heel anders reageren dan normaal. Inmiddels had ik begrepen dat die BN-ers niet eenmalig in de klas komen maar daadwerkelijk 100 dagen aanwezig zijn en daadwerkelijk les gaan geven. Op basis daarvan verwacht ik dat het BN-er effect geen lang leven beschoren zal zijn, leerlingen zullen redelijk snel over gaan tot de orde van de dag. Dat breng ik in het gesprek in, maar inmiddels is de hele familie overtuigd van het BN-er effect en dat leerlingen met hen en camera’s in de klas anders zullen reageren dan ze normaal zouden doen. Ze tonen mijn ongelijk met een heleboel incidentele voorbeelden aan, de mooiste die van mijn man die vertelde dat Prins Bernard een keer bij hem op school kwam, in zijn les, nou en toen reageerden hij en zijn klasgenoten helemaal niet normaal. Tsja, het is duidelijk tijd dat ik mijn mond houd. Tegen dergelijke gelegenheidsexperts is mijn kennis en expertise onvoldoende opgewassen.

Enige tijd later stel ik voor om samen met manlief een aflevering van ‘100 dagen voor de klas’ te bekijken. Ik ben echt wel nieuwsgierig wat mijn moeder heeft gezien en hoe zij nu interpreteert wat mijn werk inhoudt. Ik zie twee jonge mannen die besloten hebben om een crash course leraarschap van een week te doen. Wat mij aanspreekt is dat het ze lukt hun gevoelens daarbij voor camera onder woorden te brengen. Dat getuigt in ieder geval van mediaprofessionaliteit, want dat is beslist niet makkelijk. Ze lopen een school binnen, maken kennis met de rector en met hun begeleidende docenten. Op beeld zie ik een gebouw met druk beschilderde muren, een lerarenkamer met dynamisch gekwek (dat is een goed teken), docenten die onderling flauwe grappen maken en een kopieerapparaat waar een docent wanhopig naar iets op zoek is. Het ziet er allemaal vertrouwd uit. Ook bij de opnames in de klas zie ik vertrouwde beelden. De begeleidende docenten kennen hun leerlingen, omzeilen de weerstand bij de leerlingen en zetten ze aan het werk. De persoonlijke gesprekjes zijn aandoenlijk openhartig. In de aula zie ik groepjes leerlingen om tafels zitten met hun mobiel, een paar verloren eersteklassers wanhopig op zoek naar aansluiting en een kleerkast van een conciërge die op het podium toezicht houdt. De leerling die één van de twee jonge mannen rondleidt zegt geruststellend dat de conciërge ‘echt heel aardig is’. Zijn postuur straalt iets anders uit, maar ik zie ook een glimlach op zijn gezicht. Het is mij duidelijk dat dit de juiste persoon op de juiste plaats is in deze school. Ik ben gerustgesteld. Het BN-er effect heb ik in deze eerste aflevering niet kunnen ontdekken. Als dit er al is geweest, is het, geheel naar mijn verwachting, vrij snel verdampt.

Een half uurtje na het bekijken van deze aflevering realiseer ik me echter dat ik naar een historische documentaire heb zitten kijken. De leerlingen, de docenten, de rector en de conciërge kwamen heel normaal op me over. Ja, dit is mijn werkveld en er is een realistisch beeld gegeven. Herstel…: dit wás mijn werkveld, met een realistisch beeld van toen, van vóór de coronacrisis.

De volgende ochtend schrik ik wakker. ‘Het kán niet meer!’ roep ik uit, en ineens ben ik klaar wakker. Mijn man draait zich enigzins geschrokken om ‘wat kán er niet meer?’

Een stortvloed van nog niet geheel uitgekristalliseerde gedachten vullen de slaapkamer.

‘Dat in die documentaire van gisteren, dat is nu verleden tijd. Het onderwijs gaat er nooit meer zo uitzien. Het kan niet meer, er mogen voorlopig niet meer zoveel leerlingen door elkaar heen krioelen op school. En in die lokalen, daar gebeurden dingen die heel normaal zijn, maar dat is ook verleden tijd. Dat kan ook niet meer. En dat in een groep voorbereiden van mensen op het leraarschap, dan kan ook niet meer. Oooh, dat betekent dat ik bij de lerarenopleiding ook een heleboel dingen anders moet gaan doen. Ik moet de studenten gaan voorbereiden op een nieuwe realiteit. De projecten die we tot nu toe met scholen deden waarbij we studenten lieten oefenen met 100 of meer leerlingen live aanwezig, dat kan ook niet meer. Niks kan meer’ .

Heel droog zegt mijn man ‘ga jij vandaag gewoon rustig wat voor jezelf doen?’ Het is moederdag vandaag en ik blijf nog even in bed liggen terwijl er een lekker ontbijtje voor me wordt klaargemaakt.

De gedachten over alle veranderingen die eraan zitten te komen laten me echter niet los. Langzaam begin ik meer woorden te vinden voor de opdoemenden veranderingen. Flarden expertise die we binnen Doedactiek hebben opgebouwd combineren met de beelden uit de documentaire en de ontwikkelingen in het onderwijs van de afgelopen dagen waarbij de basisscholen open gaan met de helft van de leerlingen. Ik realiseer me dat we dat in het voortgezet onderwijs in ieder geval niet moeten willen. Dat gaat in vo niet werken. Mijn gedachten springen heen en weer:  ‘wat is nou echt belangrijk om ín het gebouw te doen?’, ‘welke onderdelen van het leerproces zijn niet gebonden aan het gebouw en voerden we voor de coronacrisis wel in het gebouw uit?’, ‘als we nou eens de traditionele roostering van lessen in lokalen gekoppeld aan docenten los laten, want waar gaat het eigenlijk om, het gaat om de leerprocessen van de leerlingen, tóch? Het gaat toch niet om het in stand houden van het rooster?’ Een herinnering komt terug van een vroegere faciliteitsmanager die ooit tegen mij zei ‘ja, maar als wij het niet goed regelen met die roosters kunnen de docenten helemaal niets’. Nu denk ik, ‘ja die roosters moeten wellicht nog steeds geregeld worden, maar misschien komt daar nu een stap vóór: eerst eens kijken wat er daadwerkelijk fysiek in de gebouwen plaats gaat vinden. Als er minder leerlingen in de gebouwen mogen, dan kunnen we proberen voor iedere leerling evenveel fysieke aanwezigheid in de gebouwen te organiseren, maar misschien is dat niet zo zinvol. Misschien is het zinvoller om na te denken voor welke leerlingen het op welke momenten zinvol is om in de gebouwen aanwezig te zijn. En dan kan het zijn dat het belangrijk is om vooral de praktijklessen door te laten gaan, met de voorzieningen die op school aanwezig zijn en leerlingen doorgaans niet thuis hebben. Als we alleen dat al doen, dan zitten we waarschijnlijk al aan de nieuwe norm voor het maximaal aanwezigen in het gebouw. Dat betekent dat de rest wat anders doet, buiten het gebouw. Dan kan er nog steeds ‘les’ worden gegeven, maar dat vindt online plaats. Dat betekent weer dat docenten heel goed zullen moeten gaan nadenken over die activiteiten die online gaan plaatsvinden en welke fysiek aanwezig in het gebouw. Eigenlijk betekent dat, dat docenten, bij het inrichten van hun lessen, het online gebeuren als uitgangssituatie moeten nemen in plaats van het fysieke gebeuren in het lokaal. Tsjonge, dat is best een omslag in denken. Het ontwikkelen van goed doordachte online leerprocessen is echt wat anders dan we tot nu toe hebben gedaan. Het vraagt dat we in het SAMR model van Puentedura een paar treden omhoog gaan. Zaten we nu nog vooral in de substitutie (S) en was er van augmentation geen sprake omdat die weg was afgesloten omdat we de gebouwen niet in mochten, zullen we in september de overschakeling moeten gaan maken naar misschien wel redefinition (R). Dat betekent dat we de leerprocessen anders ontwerpen, uitgaan van de online mogelijkheden in plaats van de vier muren. Dat betekent dat we de leerprocessen anders gaan uitvoeren, misschien krijgen we een splitsing in docenten die zich meer specialiseren in het online gebeuren en docenten die de praktijklessen op de scholen blijven verzorgen en het tot stand brengen van een goede wisselwerking daartussen. Dat betekent ook dat de bezoldiging anders moet. Nu is bezoldiging veelal gekoppeld aan het aantal ingeroosterde lesuren tussen vier muren. Dat gaat nu niet meer op. Het betekent wellicht ook dat de huidige methodes niet meer voldoen. Er zijn al flinke slagen gemaakt richting online methodes, maar ook die zijn ontwikkeld vanuit het vier muren denken. Wat zou er gebeuren als een methode wordt ontwikkeld vanuit het online denken?’

En vervolgens beeld ik me mijn eerstejaars in. Zij hebben voor het leraarsvak gekozen met een beeld dat geen werkelijkheid meer is. Niemand weet wat de werkelijkheid wel gaat zijn. Zij zullen belangrijke mede ontwikkelaars worden van het toekomstige online ondersteund onderwijs. Wat hebben ze daarvoor nodig? Een heleboel dat nu nog niet is opgenomen in de bekwaamheidseisen. Dat is duidelijk.

’s Avonds kijken we met het hele gezin een aflevering van ‘A letter for a king’. Ik heb geloof ik wel wat met Tiuri. Ik voel me, net als hij, niet geheel competent voor de taak waarvoor ik mezelf nu zie staan. Er galopperen rode ruiters en zwarte ruiters om me heen. Er vinden contraproductieve politieke spelletjes plaats. Er sneuvelen goede mensen die juist nodig zijn om het proces verder te brengen. Ben ik voldoende toegerust voor de processen die ons te wachten staan? Nee. Is er een alternatief? Ook niet. Wat staat er in die denkbeeldige ‘brief’ die de toekomst beschrijft? Geen idee. Werkelijk, geen idee. Het enige dat we nu hebben is ons verstand, onze betrokkenheid en ons gezamenlijke belang om het beste in onze jongeren naar boven te laten komen….