Uit ervaring met een eerder project met onderwijs op afstand via videoconferencing is bekend dat het behulpzaam is als leerlingen elkaar ten minste één keer fysiek hebben kunnen zien. Met deze wetenschap zijn we vandaag met de kersverse toekomstige leraren biologie, natuurkunde, scheikunde en wiskunde op excursie geweest. Andere jaren gingen we gewoon met de hele groep tegelijk naar de plaats van bestemming. Dat mocht dit jaar niet. We hebben de groep in subgroepen verdeeld en daaromheen een programma buiten georganiseerd. Daarbij hebben we één uurtje ingepland om samen met de hele groep (55 studenten) buiten te lunchen, met ruim voldoende mogelijkheden om onderling afstand te houden.

De studenten hebben echt hun best gedaan om onderling afstand te houden, maar dat is echt moeilijk voor ze. Jongeren van een jaar of 18 hebben een natuurlijke neiging om naar elkaar toe te kruipen. Vijftien centimeter van elkaar af zitten is al best ver, laat staan anderhalve meter. De hele dag heb ik maar één keer gezien dat twee studenten elkaar fysiek vastpakten. Wat dat betreft hebben ze het beter gedaan dan Grapperhaus en zijn gasten op zijn bruiloft.

Het was een moment om te koesteren. Het enige fysieke moment met z’n allen bij elkaar. De rest van het jaar zal deze groep studenten merendeels online studeren.

Eigenlijk maak ik me best wel een beetje zorgen om deze groep. De meesten hebben sinds maart geen les meer gehad. Ze hebben thuis opgesloten gezeten en konden geen kant op. Geen reizen, geen feesten, geen festivals, geen sociale activiteiten die juist zo belangrijk zijn voor de ontwikkeling van jongeren. Een aantal geluksvogels heeft wat kunnen werken, meer niet.

Het was best knap hoe de studenten zich gedroegen. Toch sprak een meneer mij aan. Hij zij met een boze toon ‘wat is dit voor iets, vindt u dit normaal?’ Ik moest even schakelen, want nee, het gedrag dat ik observeerde leek niet op het normale rollebollen van kersverse eerstejaars. Deze meneer vond echter dat we de regels aan het overtreden waren, had een foto gemaakt en naar de regionale krant gestuurd en melding gedaan bij de politie. Om de boel niet verder te laten escaleren heb ik de hele groep gevraagd op te staan en nog iets verder van elkaar af te gaan zitten. Dat deden ze braaf.

Het groepsgevoel dat in de loop van het uur ervoor voorzichtig was opgebouwd spatte, letterlijk, uit elkaar. Ik keek de meneer aan en vroeg hem ‘is dit écht wat u wilt?’ Hij liet zijn hoofd zakken, hij had het ook gezien.

Even later reed er een bestelbusje van de gemeente langs. Ze keken naar ons en reden door. Nog wat later volgde een auto met handhavers. Ook die reden door. Weer later reed de politie langs die even stopte. ‘Nou gaan we het krijgen’, dacht ik, maar ze zwaaiden vriendelijk terwijl ze weer optrokken.

Het is knap dat deze meneer ons heeft aangesproken en ik begrijp zijn zorgen over de naleving van de regels. Tegelijkertijd ben ik heel blij met onze handhavers en politie die doorzagen dat we de regels bijna allemaal naleefden.

Al met al hebben we een mooie dag gehad. We hebben de best mogelijke basis gelegd voor de groepsbinding die nodig is om samen online verder te kunnen leren.